Studies › 2013 · Laatst herzien 2026-07-12
Steensma et al. (2013) — desistance
Factors associated with desistence and persistence of childhood gender dysphoria: a quantitative follow-up study. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry. 2013;52(6):582–90.
Samenvatting
Kwantitatieve follow-upstudie onder 127 adolescenten (79 jongens, 48 meisjes) die als kind (jonger dan 12 jaar) waren aangemeld voor genderdysforie. De intensiteit van de genderdysforie in de kindertijd hing samen met het aanhouden ervan, en bij meisjes was de kans op aanhouden groter (bron). De Cass Review noemt voor deze studie een persistentiepercentage van 37% (bron).
1. Steekproef
- 127 adolescenten (79 jongens, 48 meisjes), als kind (jonger dan 12 jaar) aangemeld voor genderdysforie en in de adolescentie opnieuw onderzocht.
- Persistentie: 37% volgens de Cass Review.
2. Geassocieerde factoren
- De intensiteit van genderdysforie in de kindertijd hing samen met aanhouden.
- Een cognitieve en/of affectieve cross-genderidentificatie was geassocieerd met aanhouden.
- Een sociale rolovergang was geassocieerd met aanhouden; volgens de Cass Review gold dat voor geboren jongens, niet voor geboren meisjes.
- Aanhouden was waarschijnlijker bij geboren meisjes.
- Psychisch functioneren en kwaliteit van vriendschappen voorspelden het aanhouden niet.
3. Duiding door de Cass Review
De Cass Review noemt Steensma e.a. (2013) als latere studie met een persistentie van 37% en merkt op dat toen al een groter deel van de aangemelde kinderen sociaal was getransitioneerd voordat zij werden gezien (par. 12.33). Volgens de Cass Review is het niet mogelijk causaliteit in een van beide richtingen vast te stellen: niet bekend is of de kinderen die bleven de meest intense incongruentie hadden en daardoor vaker sociaal transitioneerden, of dat sociale transitie de genderincongruentie bestendigde (par. 12.34; bron).
4. Debat rond desistance
De interpretatie van persistentie- en desistancecijfers is bediscussieerd. De Cass Review schrijft dat vroege studies bij ongeveer 15% van de kinderen vonden dat de genderincongruentie doorzette tot in de volwassenheid, en dat latere studies bij kinderen die aan de diagnostische criteria voldeden persistentie van 10 tot 33% vonden (bron). Olson e.a. (2022) vonden dat gemiddeld vijf jaar na een eerste sociale transitie 94% van 317 transgender jongeren zich als binair transgender identificeerde en 7,3% minstens één keer was teruggekeerd (bron). Zie ook FAQ vraag 6.