Protocol › Follow-up · Laatst herzien 2026-05-16
Follow-up en nazorg
Samenvatting
Het Dutch Protocol omvatte drie gedocumenteerde meetmomenten: T0 vóór de start van GnRHa, T1 bij de start van cross-seksehormonen, en T2 minstens één jaar na de operatie. Gestandaardiseerde instrumenten waren de Utrecht Gender Dysphoria Scale, de Body Image Scale, CBCL/YSR en de Beck Depression Inventory. Langetermijn-follow-up voorbij T2 werd in latere cohortstudies toegevoegd — zie /nl/studies/follow-up-studies-overview/.
1. Oorspronkelijke meetmomenten
De meetmomenten sluiten direct aan op de drie fasen van het protocol — zie /nl/protocol/de-drie-fasen/. In de follow-upstudie van De Vries e.a. (2014) werd gemeten vóór de puberteitsremming, bij de start van de hormonen en minstens een jaar na de operatie (bron).
| Moment | Tijdstip | Inhoud |
|---|---|---|
| T0 | Basislijn, vóór GnRHa | Diagnostiek, vragenlijsten, somatische status |
| T1 | Bij start cross-seksehormonen (~16 jaar) | Herevaluatie, herhaalde vragenlijsten |
| T2 | minstens 1 jaar na de operatie | Functionele uitkomsten, psychologische toestand |
2. Uitkomstmaten
- Utrecht Gender Dysphoria Scale — 12-item vragenlijst, intensiteit dysforie.
- Body Image Scale — lichaamsbeleving-specifieke ontevredenheid.
- CBCL / YSR — gedrags- en emotionele problemen.
- Beck Depression Inventory — depressiescore.
- Trait Anxiety Inventory — angstmeting.
3. Beperkingen
De Cass Review 2024 noemde de oorspronkelijke studie van De Vries e.a. (2011) van matige kwaliteit, zonder verandering in genderdysforie (bron). De Gezondheidsraad schrijft dat gegevens over de lange termijn ontbreken en dat de effecten op cognitie en vruchtbaarheid onvoldoende zijn onderzocht (bron). Ook een Zweeds systematisch overzicht van onderzoekers, onder wie medewerkers van de SBU (Ludvigsson e.a., 2023), concludeerde dat het bewijs onvoldoende is om de effecten van hormoonbehandeling bij kinderen met genderdysforie te beoordelen (bron).1 Latere cohorten hebben langere follow-upperiodes ingevoerd; zie /nl/studies/follow-up-studies-overview/ en /nl/studies/sample-size-and-attrition/.
Kritische noot
Biggs (2023) betoogt dat de uitkomsten van de oorspronkelijke studie op weinig waarnemingen en op dysforiematen berustten die niet vergelijkbaar waren (bron). Een Finse registerstudie (Ruuska e.a., Acta Paediatrica, april 2026) vond dat jongeren die zich bij de Finse genderklinieken meldden vaker specialistische psychiatrische zorg voor ernstige problemen nodig hadden dan leeftijdsgenoten, en dat de toename vooral zichtbaar was bij wie medische ingrepen onderging (bron). De oorspronkelijke Nederlandse metingen richtten zich op zelfrapportage van dysforie en niet op psychiatrisch zorgverbruik.2
Zie ook
- De drie fasen — waarop de meetmomenten T0/T1/T2 aansluiten.
- Follow-up studies — overzicht — alle gepubliceerde follow-upcohorten.
- De Vries et al. (2014) — de psychologische uitkomstsitudie op T2.
- Steekproefomvang en uitval — wie uitviel uit de oorspronkelijke cohorte.
- Methodologische kritiek — o.a. over UGDS-vergelijkbaarheid.
- SBU (2022) (EN) — Zweedse systematische review over bewijskracht.
- Cass Review (2024) (EN) — aanbevelingen voor langetermijn-follow-up.
Voetnoten
- Ludvigsson e.a. Systematisch overzicht van Zweedse onderzoekers, onder wie medewerkers van de SBU; 2023. PMID 37069492.
- Biggs M. J Sex Marital Ther. 2023;49(4):348–68. Genderzorgen. Transgenderzorg onder de loep. Substack, 10 april 2026.