Protocol › Inclusiecriteria · Laatst herzien 2026-05-16

Inclusiecriteria

Samenvatting

De oorspronkelijke inclusiecriteria van het Dutch Protocol vereisten een DSM-IV-TR-diagnose genderidentiteitsstoornis, levenslange genderdysforie die bij de puberteit intensiveert, psychologische stabiliteit, een toereikende sociale omgeving en de capaciteit voor geïnformeerde instemming. Elk criterium is gedocumenteerd in Delemarre & Cohen-Kettenis (2006) en het proefschrift van de Vries (2010).

1. Diagnostische criteria

  • DSM-IV-TR-diagnose Gender Identity Disorder (later DSM-5: Genderdysforie), gesteld door ten minste twee onafhankelijke clinici.1
  • Persisterende cross-gender-identificatie sinds vroege kindertijd — ondersteund door Steensma 2013 (desistance-onderzoek).
  • Intensivering van dysforie bij het begin van de puberteit.
  • Aanwezigheid van Tanner-stadium 2 of 3.

2. Psychologische criteria

  • Voldoende psychologische stabiliteit om een lang diagnostisch traject te doorlopen.
  • Capaciteit voor geïnformeerde instemming (bij minderjarigen) en — vanaf meerderjarigheid — geïnformeerde toestemming.
  • Begrip van de aard, reikwijdte en beperkingen van de interventie.

3. Sociale criteria

  • Een ondersteunende gezinsomgeving met betrokken ouders / verzorgers.
  • Geen actuele, onbehandelde ernstige psychosociale problemen — zie exclusiecriteria.

4. Verschuiving onder DSM-5

De overgang van DSM-IV-TR naar DSM-5 (2013) verving "Genderidentiteitsstoornis" door "Genderdysforie" en versoepelde enkele criteria, waaronder de eis van een levenslange aanvang.2 In de praktijk hanteerde het Amsterdam UMC-team een strengere lezing dan DSM-5 toestaat.

Kritische noot

De eis van "levenslange" of "vroeg-aanvankende" genderdysforie is in de internationale implementatie grotendeels verlaten. Hedendaagse verwijspopulaties bestaan grotendeels uit laat-aanvankende gevallen, vaak biologisch vrouwelijk en met hoge psychiatrische comorbiditeit — een profiel dat niet voldoet aan de oorspronkelijke Nederlandse inclusiecriteria. Abbruzzese, Levine en Mason (2023) concluderen dat het Dutch Protocol daarmee buiten zijn empirische geldigheidsdomein wordt toegepast.3

Zie ook

Voetnoten

  1. Delemarre-van de Waal HA, Cohen-Kettenis PT. Clinical management of gender identity disorder in adolescents. Eur J Endocrinol. 2006;155(S1):S131–7.
  2. American Psychiatric Association. Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. 5th ed. Arlington, VA: APA; 2013. Sectie 302.85.
  3. Abbruzzese E, Levine SB, Mason JW. The myth of "reliable research" in pediatric gender medicine. J Sex Marital Ther. 2023;49(6):673–99.